Spaanse grammatica, vergeleken met het Nederlands

Dit is geen les, maar een naslagwerk: de belangrijkste onderdelen van de Spaanse grammatica op hun plek, uitgelegd vanuit het Nederlands in plaats van vanuit het Engels zoals de meeste sites doen. Hou deze pagina open terwijl je leest of schrijft, en zoek op wat je op dat moment nodig hebt. Ze is gemaakt om te raadplegen, niet om in één keer door te lezen.

Presente de indicativo: de tegenwoordige tijd

Spaanse werkwoordsuitgangen laten al zien wie het onderwerp is, dus yo, tú en él vallen meestal weg; in het Nederlands moet het onderwerp er altijd bij, omdat de werkwoordsvorm dat onderscheid niet overal maakt.

Net als de Nederlandse tegenwoordige tijd dekt de Spaanse presente meer dan alleen 'nu': een gewoonte (trabajo en un banco, ik werk bij een bank), een algemene waarheid (el agua hierve a cien grados), en met een tijdsaanduiding zelfs een geplande toekomst (mañana salgo temprano, net als 'morgen vertrek ik vroeg'). Wie dat Nederlandse gevoel voor de tegenwoordige tijd meeneemt, zit in Spanje meestal goed.

Het echte verschil zit in de uitgangen. Trabajo, trabajas, trabaja, trabajamos, trabajáis, trabajan: elke persoon klinkt anders, dus het onderwerp is overbodige informatie en wordt weggelaten. Het Nederlands maakt dat onderscheid niet overal (jij werkt en hij werkt klinken gelijk), dus daar is het onderwerp verplicht. Een Nederlandstalige die uit gewoonte yo trabajo, tú trabajas, él trabaja blijft zeggen, maakt geen fout, maar legt overal een nadruk die er niet hoort: het klinkt alsof elke zin een tegenstelling markeert.

Een aantal werkwoorden verandert bovendien van klinker zodra de klemtoon erop valt: querer wordt quiero, poder wordt puedo, pedir wordt pido, maar de wij- en jullievorm (queremos, podemos, pedimos) blijft ongewijzigd. Daar bestaat in het Nederlands niets vergelijkbaars, dus die vormen moeten per werkwoord geleerd worden, niet afgeleid.

Uitgangen en de belangrijkste onregelmatigheden
-ar: trabajo, trabajas, trabaja, trabajamos, trabajáis, trabajanVaste uitgang per persoon, dus het onderwerp mag weg.
-er: como, comes, come, comemos, coméis, comenZelfde patroon, andere klinker.
-ir: vivo, vives, vive, vivimos, vivís, vivenAlleen de wij- en jullievorm wijkt af van -er.
e → ie: quiero, quieres, quiere, queremos, queréis, quierenKlinkerverandering bij klemtoon, niet in de wij- en jullievorm.
o → ue: puedo, puedes, puede, podemos, podéis, puedenZelfde patroon als e → ie.
yo onregelmatig: salgo, hago, pongo, conozcoAlleen de ik-vorm wijkt af, de rest is regelmatig.
tener: tengo, tienes, tiene, tenemos, tenéis, tienenOnregelmatige ik-vorm én e → ie in de andere vormen (net zo: venir → vengo, vienes).

Voorbeelden

  • Trabajo en un banco desde hace tres años.Ik werk al drie jaar bij een bank.
  • ¿A qué hora empieza la película?Hoe laat begint de film?
  • Mañana salgo temprano para coger el tren.Morgen vertrek ik vroeg om de trein te halen.
  • Ella prefiere el café sin azúcar.Zij geeft de voorkeur aan koffie zonder suiker.

Let op: De neiging om toch yo, tú en él voor elke werkwoordsvorm te zetten omdat dat in het Nederlands moet, klinkt in het Spaans als een reeks nadrukkelijke tegenstellingen in plaats van een neutrale mededeling.

Ser y estar: twee werkwoorden voor 'zijn'

Waar het Nederlands overal zijn gebruikt, kiest het Spaans tussen ser voor wie of wat iets is en estar voor waar iets is of in welke toestand het verkeert, en die knop moet bij elke zin worden omgezet.

Het Nederlands heeft één werkwoord voor 'zijn' en laat het verschil tussen wat iets is en hoe het erbij staat op een andere manier zien, bijvoorbeeld met een ander werkwoord ('vervelend' tegenover 'zich vervelen'). Het Spaans splitst dat verschil in het werkwoord zelf: ser voor identiteit, herkomst, beroep, classificatie en kenmerken (soy profesor, es de Madrid), estar voor plaats, toestand en het resultaat van een verandering (estoy en casa, la puerta está abierta).

Het gaat dus niet om blijvend tegenover tijdelijk. Iets tijdelijks kan ser nemen (es martes, soy estudiante), en iets dat blijft kan estar nemen (está muerto, Madrid está en España). De vraag is steeds: zeg je wat of wie iets is, of in welke toestand of op welke plek het zich bevindt?

Plaats gaat bijna altijd met estar (Madrid está en España), maar een evenement dat ergens plaatsvindt neemt ser (la fiesta es en mi casa, het feest zelf, niet het gebouw). Wie gewend is aan één 'zijn' verwart die twee makkelijk, want de plaats van een ding en de plaats van een gebeurtenis lijken hetzelfde maar krijgen een ander werkwoord.

Estar plus een vorm op -ndo geeft een actie in uitvoering (estoy leyendo), en dat dekt niet alleen het exacte moment maar ook een periode die als lopend wordt ervaren: estoy leyendo una novela kan ook gezegd worden zonder dat er op dat moment gelezen wordt. Het aardige is dat het Nederlands het verschil tussen ser aburrido (vervelend) en estar aburrido (verveeld) ook kent, alleen niet via twee koppelwerkwoorden maar via een ander woord: dat gevoel mag blijven, alleen de vorm verandert.

Ser of estar: de kernverdeling
ser + zelfstandig/bijvoeglijk naamwoordidentiteit, beroep, herkomst, kenmerk: *soy médico*, *es alto*, *somos de Utrecht*
estar + plaatswaar iets zich bevindt: *el libro está en la mesa*
ser + gebeurteniswaar iets plaatsvindt: *el examen es en el aula 3*
estar + toestandtoestand of resultaat: *estoy cansado*, *la ventana está rota*
estar + gerundioactie in uitvoering, ook over een langere lopende periode: *estoy aprendiendo español*
ser aburrido / estar aburridovervelend zijn (eigenschap) tegenover zich vervelen (toestand)

Voorbeelden

  • Mi hermano es ingeniero y vive en Rotterdam.Mijn broer is ingenieur en woont in Rotterdam.
  • El museo está cerca de la plaza mayor.Het museum is dichtbij het hoofdplein.
  • La boda es en un jardín, no en una iglesia.De bruiloft vindt plaats in een tuin, niet in een kerk.
  • Estoy leyendo un libro buenísimo estos días.Ik ben deze dagen een heel goed boek aan het lezen.

Let op: De reflex om de plaats van elk ding met ser te zeggen omdat er maar één 'zijn' bestaat, produceert zinnen als Madrid es en España in plaats van het juiste Madrid está en España.

Género, número y artículos: geslacht, meervoud en lidwoorden

Het Nederlands heeft ook grammaticaal geslacht (de-woorden tegenover het-woorden), maar dat systeem loopt niet parallel aan het Spaanse mannelijk en vrouwelijk, dus het geslacht van een Spaans zelfstandig naamwoord moet apart geleerd worden, nooit afgeleid uit het Nederlandse lidwoord.

Wie denkt dat grammaticaal geslacht een vreemd nieuw concept is, kent het al: het Nederlands verdeelt zelfstandige naamwoorden ook in twee groepen, de-woorden en het-woorden, en dat is voor een groot deel net zo willekeurig als het Spaanse mannelijk en vrouwelijk. Het probleem is dat de twee systemen niet overeenkomen: het meisje is een het-woord, maar la chica is in het Spaans vrouwelijk; de zon is een de-woord, maar el sol is mannelijk. Het Nederlandse lidwoord voorspelt dus niets over het Spaanse geslacht.

Wat wel helpt: de meeste woorden op -o zijn mannelijk (el libro) en de meeste op -a zijn vrouwelijk (la mesa), met bekende uitzonderingen die ondanks de -a mannelijk zijn: veel woorden op -ma uit het Grieks (el problema, el tema, el sistema) en een paar losse gevallen zoals el día en el mapa. Dat is nauwkeuriger dan het Nederlandse systeem, waar de uitgang zelden iets over het geslacht zegt.

Bij het meervoud is het Spaans consequenter: el libro / los libros, la mesa / las mesas, het lidwoord toont geslacht én getal in beide vormen. Het Nederlandse het verdwijnt juist in het meervoud (het huis wordt de huizen), precies waar het Spaans de aanwijzing vasthoudt. Het onbepaalde lidwoord is een aparte valkuil: Nederlands een is voor beide geslachten gelijk, terwijl het Spaans moet kiezen tussen un en una.

Geslacht, meervoud en lidwoorden
el libro, los librosmannelijk, lidwoord toont geslacht en getal in beide vormen
la mesa, las mesasvrouwelijk, zelfde patroon
el problema, el tema, el día, el mapaop -a maar mannelijk: woorden op -ma uit het Grieks, plus losse gevallen als día en mapa
el agua, el hambrevrouwelijk maar met *el* vanwege de klemtoon op de a, blijft vrouwelijk: *el agua fría*
un/una, unos/unasSpaans kiest geslacht bij het onbepaald lidwoord, Nederlands *een* niet

Voorbeelden

  • El problema no tiene una solución fácil.Het probleem heeft geen makkelijke oplossing.
  • Las ventanas de la cocina están abiertas.De ramen van de keuken staan open.
  • Necesito un paraguas porque va a llover.Ik heb een paraplu nodig want het gaat regenen.
  • El agua del grifo aquí se puede beber.Het kraanwater kan hier gedronken worden.

Let op: Omdat het Nederlandse onbepaalde lidwoord een nooit verandert, is er geen ingebouwde gewoonte om bij un of una na te denken, en dat is precies waar de fout ontstaat.

Pronombres personales, de objeto y reflexivos: persoonlijke, object- en wederkerende voornaamwoorden

Spaanse voorwerpsvoornaamwoorden plakken vast aan de infinitief, de gerundio en de bevestigende gebiedende wijs, en gaan er los vóór staan bij een vervoegd werkwoord; het Nederlands kent die vastplakking niet, dus dat is de nieuwe stap, niet het bestaan van het voornaamwoord zelf.

Onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp en wederkerend voornaamwoord bestaan in het Nederlands net als in het Spaans, dus het concept is niet nieuw. Wat wel nieuw is: het Nederlandse voornaamwoord blijft altijd los na het werkwoord staan (ik zie hem, ik wil hem zien), terwijl het Spaanse voornaamwoord vastplakt aan een infinitief (verlo), een gerundio (viéndolo) of een bevestigende gebiedende wijs (dile), maar los ervoor gaat staan bij een vervoegd werkwoord (lo veo, le digo). Staat er een vervoegd werkwoord vóór de infinitief of de gerundio, dan mag het allebei: quiero verlo of lo quiero ver, estoy viéndolo of lo estoy viendo.

Bij twee voornaamwoorden tegelijk draait het Spaans de Nederlandse volgorde om. Het Nederlands zet het lijdend voorwerp vóór het meewerkend voorwerp (ik geef het hem), het Spaans zet het meewerkend voorwerp eerst (se lo doy, letterlijk aan hem het geef ik), waarbij le of les vóór lo/la/los/las altijd se wordt. Een woord voor woord vertaling levert dus de verkeerde volgorde op.

Ook het Nederlands laat het wederkerend voornaamwoord per persoon veranderen (me, je, zich, ons, je, zich), maar het Spaans heeft zijn eigen volledige reeks: me, te, se, nos, os, se, met se voor de derde persoon enkelvoud en meervoud en voor usted en ustedes. In Spanje is het bovendien gangbaar om le te gebruiken voor een mannelijk persoon als lijdend voorwerp in plaats van lo (le vi naast lo vi), een regionaal aanvaard verschijnsel, geen fout.

Voornaamwoorden: plaats en volgorde
lo veo (vervoegd werkwoord)voornaamwoord los ervoor, direct vóór het werkwoord
quiero verlo / lo quiero verbij infinitief mag het voornaamwoord vastplakken óf los ervoor staan
viéndoloplakt vast aan een losse gerundio; met estar ervoor mag het ook vooraan: lo estoy viendo
dile, dímelobij de bevestigende gebiedende wijs plakt het altijd vast
se lo doymeewerkend voorwerp eerst, *le/les* wordt *se* voor *lo/la/los/las*
me, te, se, nos, os, sewederkerend, een eigen reeks per persoon; derde persoon, *usted* en *ustedes*: *se*

Voorbeelden

  • ¿Dónde has puesto las llaves? No las encuentro.Waar heb je de sleutels gelegd? Ik kan ze niet vinden.
  • Le compré un regalo a mi madre y se lo di ayer.Ik kocht een cadeau voor mijn moeder en gaf het haar gisteren.
  • Mi abuela se levanta muy temprano cada día.Mijn oma staat elke dag heel vroeg op.
  • Dime la verdad, por favor.Vertel me de waarheid, alsjeblieft.

Let op: Een woord voor woord vertaling van 'ik geef het hem' zet het lijdend voorwerp eerst, terwijl het Spaanse se lo doy het meewerkend voorwerp vooraan zet en le daarbij automatisch in se verandert.

Gustar: de omgekeerde werkwoorden

Het ding dat bevalt is het onderwerp en bepaalt de vervoeging, niet de persoon, die als meewerkend voorwerp vóór het werkwoord blijft staan, zoals bij het Nederlandse 'bevallen'.

In het Nederlands ben jij het onderwerp van 'ik vind het leuk': jij voelt iets, het ding is lijdend voorwerp. Gustar draait dat om. Het onderwerp van de zin is het DING dat bevalt, en de persoon staat ervoor als meewerkend voorwerp: me gusta el café is letterlijk 'de koffie bevalt mij'. Het werkwoord vervoegt dus op het ding, niet op de persoon: gusta bij één ding, gustan bij meerdere, zoals in me gustan los perros.

Dat is geen vreemde constructie voor het Nederlands, alleen niet de standaard: 'bevallen' en 'smaken' werken al precies zo. 'Het huis bevalt me' heeft dezelfde volgorde als me gusta la casa, en vervoegt net als gustan mee met het meervoud in 'de plannen bevallen me niet'. Leun op die twee als sjabloon in plaats van op 'leuk vinden'.

Het meewerkend voornaamwoord (me, te, le, nos, os, les) staat altijd vóór het werkwoord en blijft staan, zelfs als je de persoon ook noemt: a Juan le gusta el fútbol, nooit Juan gusta el fútbol. Die a plus persoon is alleen verduidelijking, geen vervanging.

Dezelfde omgekeerde vorm geldt voor encantar (heel graag mogen), faltar (ontbreken), doler (pijn doen) en interesar.

Het patroon
me/te/le/nos/os/les + gustabij één ding of infinitief: *me gusta el café*, *me gusta leer*
me/te/le/nos/os/les + gustanbij meerdere dingen: *me gustan los perros*
a + persoon/naam, le gusta...verduidelijking of nadruk, *le* blijft staan: *a Juan le gusta el fútbol*
encantar, faltar, doler, interesar, importarzelfde omgekeerde constructie als *gustar*

Voorbeelden

  • Me gusta mucho esta serie.Ik vind deze serie erg leuk (letterlijk: deze serie bevalt me erg).
  • A mis padres les encantan las plantas.Mijn ouders zijn dol op planten.
  • Nos duele la cabeza.We hebben hoofdpijn (letterlijk: het hoofd doet ons pijn).
  • ¿Te interesa el fútbol?Heb jij interesse in voetbal?

Let op: Nederlandstaligen bouwen de zin als 'leuk vinden' met de persoon als onderwerp (yo gusto los perros in plaats van me gustan los perros), en zelfs wie de omgekeerde vorm al gebruikt, vergeet vaak het werkwoord mee te vervoegen met het ding in het meervoud.

Pretérito indefinido: de afgeronde verleden tijd

Indefinido presenteert een gebeurtenis als een afgebakend, afgerond geheel in het verleden; het Nederlandse OVT laat dat onderscheid ongemarkeerd, dus je beslist het per zin.

Het Nederlands heeft één eenvoudige verleden tijd, de OVT ('ik liep', 'ik werkte'), die zowel een eenmalige afgeronde gebeurtenis als een gewoonte in het verleden kan uitdrukken: de vorm zelf zegt het niet, alleen de context. Het Spaans splitst dat in twee tijden, en el pretérito indefinido is de ene helft: een gebeurtenis of toestand die je als één afgebakend, afgerond geheel in het verleden presenteert. Ayer trabajé ocho horas zegt: die werkdag is voorbij en compleet. Je hoeft het begin en het eind niet te kennen of te noemen; het gaat erom dat je het geheel overziet (viví en Utrecht tres años), niet dat je er middenin staat.

De regelmatige uitgangen zijn -é, -aste, -ó, -amos, -asteis, -aron voor -ar werkwoorden en -í, -iste, -ió, -imos, -isteis, -ieron voor -er en -ir werkwoorden. Een handvol veelgebruikte werkwoorden krijgt een eigen stam zonder klemtoonaccent: tener wordt tuve, estar wordt estuve, poder wordt pude, hacer wordt hice/hizo, querer wordt quise, decir wordt dije (met dijeron, niet dijieron). Ser en ir delen dezelfde vorm: fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron, en context beslist welke van de twee bedoeld is.

Omdat de Nederlandse OVT dat onderscheid niet markeert, is er geen vorm om op te vertrouwen: bij elke Nederlandse verleden tijd beslis je zelf of het Spaans hier indefinido vraagt of imperfecto.

Regelmatige vormen en de belangrijkste onregelmatige stammen
-ar: hablé, hablaste, habló, hablamos, hablasteis, hablaronregelmatig
-er/-ir: comí, comiste, comió, comimos, comisteis, comieronregelmatig
tener, estar, poder, poner, saber, hacer, querer, venireigen stam: *tuve, estuve, pude, puse, supe, hice, quise, vine*
decir, traer, -ducir werkwoordenstam op *j*: *dijeron, trajeron*, niet *-ieron*
ser / irdelen dezelfde vorm: *fui, fuiste, fue, fuimos, fuisteis, fueron*
pedir, dormir (en andere -ir met stamwisseling)alleen 3e persoon: *pidió/pidieron*, *durmió/durmieron*

Voorbeelden

  • Ayer llegué tarde al trabajo.Gisteren kwam ik te laat op mijn werk.
  • Fuimos al cine el sábado pasado.We gingen afgelopen zaterdag naar de bioscoop.
  • No dijeron nada durante la reunión.Ze zeiden niets tijdens de vergadering.

Let op: Nederlandstaligen vertalen hun OVT vaak één op één naar indefinido, ook wanneer de Nederlandse zin een gewoonte of achtergrondtoestand beschrijft, zoals 'toen ik klein was, woonde ik in Amsterdam', wat in het Spaans imperfecto vraagt: vivía, niet viví.

Pretérito imperfecto: de beschrijvende verleden tijd

Imperfecto beschrijft een toestand, gewoonte of achtergrond zonder focus op het einde ervan; er zijn maar drie onregelmatige vormen: era, iba, veía.

Waar indefinido een gebeurtenis als afgerond geheel presenteert, beschrijft el pretérito imperfecto een toestand, gewoonte of achtergrond in het verleden, zonder dat het einde ertoe doet. De vorming is opvallend regelmatig: -ar werkwoorden krijgen -aba (hablaba), -er en -ir werkwoorden krijgen -ía (comía, vivía), en er zijn maar drie onregelmatige werkwoorden in de hele taal: ser wordt era, ir wordt iba, ver wordt veía.

Gebruik het voor gewoontes (cuando era niño, jugaba en el parque, zoals het Nederlandse 'toen ik klein was, speelde ik in het park'), voor beschrijvingen van mensen, plaatsen, weer, tijd en leeftijd (era alto, hacía frío, eran las tres), en voor een handeling die al bezig was toen iets anders gebeurde: dormía cuando sonó el teléfono.

Dat laatste geval is waar het Nederlands een valse zekerheid geeft: 'ik was aan het slapen toen de telefoon ging' gebruikt een aparte, optionele progressieve vorm, dus het voelt alsof imperfecto ook zo'n markering nodig heeft. Dat is niet zo: dormía is de gewone, simpele verleden tijd, net als 'ik sliep' zonder 'aan het'.

Vorming en gebruik
-ar: hablaba, hablabas, hablaba, hablábamos, hablabais, hablabanregelmatig
-er/-ir: comía, comías... / vivía, vivías...regelmatig, zelfde uitgangen
ser, ir, verde enige drie onregelmatige vormen: *era, iba, veía*
gewoonte in het verleden*jugaba cada tarde*
beschrijving (leeftijd, tijd, weer, uiterlijk)*tenía diez años*, *eran las tres*, *hacía calor*
achtergrond, iets was al bezig*dormía cuando sonó el teléfono*

Voorbeelden

  • Cuando era pequeña, vivía en un pueblo.Toen ze klein was, woonde ze in een dorpje.
  • Hacía mucho frío esa noche.Het was die avond erg koud.
  • Mientras cocinaba, escuchaba la radio.Terwijl hij kookte, luisterde hij naar de radio.

Let op: Omdat het Nederlands een aparte progressieve vorm heeft ('ik was aan het slapen'), verwachten Nederlandstaligen dat imperfecto ook een speciale markering nodig heeft, terwijl dormía gewoon de simpele verleden tijd is, net als 'ik sliep'.

Indefinido of imperfecto: welke kies je

Vraag bij elke Spaanse verleden tijd of je de handeling als afgebakend, afgerond geheel brengt (indefinido), of dat ze een toestand, gewoonte of achtergrond beschrijft (imperfecto): het Nederlandse OVT geeft daarvoor geen enkele aanwijzing.

Het Nederlands heeft geen vorm die dit onderscheid dwingt: dezelfde OVT dekt zowel 'ik kwam aan' (eenmalig, afgerond) als 'het regende' (achtergrond, geen focus op het einde). 'Toen ik aankwam, regende het' gebruikt in het Nederlands twee keer dezelfde tijd; het Spaans splitst ze: Cuando llegué, llovía. Llegué is de eenmalige gebeurtenis (indefinido), llovía de achtergrond waartegen ze plaatsvond (imperfecto). Er is dus geen Nederlandse vorm om op te vertrouwen: bij elke verleden tijd vraag je zelf of je de handeling als afgerond geheel brengt, of dat ze een toestand, gewoonte of achtergrond beschrijft.

Een kleine groep werkwoorden verandert bovendien van betekenis met de tijd. Conocer in imperfecto is 'kennen': la conocía desde hacía años; in indefinido is het 'voor het eerst ontmoeten': la conocí ayer. Saber in imperfecto is 'weten'; in indefinido 'te weten komen'. Poder in imperfecto is 'in staat zijn' in het algemeen; in indefinido 'erin slagen iets specifieks te doen'. Querer in imperfecto is 'willen'; in indefinido, vooral ontkennend, 'proberen' of 'weigeren'.

Werkwoorden die van betekenis wisselen
conocer, imperfectokennen, al bekend: *la conocía*
conocer, indefinidovoor het eerst ontmoeten: *la conocí ayer*
saber, imperfectoweten: *no sabía*
saber, indefinidote weten komen: *lo supe ayer*
poder, imperfectoin staat zijn (algemeen): *podía nadar*
poder, indefinidoerin slagen (specifiek): *pude terminarlo*
querer, imperfectowillen: *quería ir*
querer, indefinido (ontkennend)weigeren: *no quiso venir*

Voorbeelden

  • Cuando llegué, llovía a cántaros.Toen ik aankwam, regende het pijpenstelen.
  • La conocí en una fiesta hace años.Ik ontmoette haar jaren geleden op een feest.
  • No pude llamarte anoche.Het is me gisteravond niet gelukt je te bereiken.
  • No quiso escuchar ningún consejo.Hij/zij weigerde naar enig advies te luisteren.

Let op: Nederlandstaligen vertalen hun ene OVT-vorm klakkeloos naar één Spaanse tijd voor de hele zin, terwijl 'toen ik aankwam, regende het' in het Spaans twee verschillende tijden nodig heeft: llegué (indefinido) en llovía (imperfecto).

Pretérito perfecto: de voltooid tegenwoordige tijd

In een groot deel van Spanje gebruik je he hablado voor een periode die nog niet voorbij is (hoy, esta semana), met woorden die een band met het heden leggen (ya, todavía no, alguna vez) of voor iets dat nu nog van belang is; zodra het tijdwoord de periode afsluit (ayer, la semana pasada) schakel je meestal over naar het pretérito indefinido, ook al zou het Nederlands daar gewoon de voltooide tijd gebruiken.

Qua vorm is dit de makkelijkste tijd om over te nemen: haber (he, has, ha, hemos, habéis, han) plus het deelwoord werkt net als het Nederlandse hebben plus voltooid deelwoord. Het verschil zit niet in de vorm maar in wanneer je hem gebruikt. Het Nederlands gebruikt de voltooide tegenwoordige tijd voor vrijwel elke afgeronde gebeurtenis, ook met een duidelijk afgesloten tijdsaanduiding: 'Ik heb hem gisteren gebeld' is gewoon Nederlands. In een groot deel van Spanje is het Spaans daar strenger.

De regel die je daar als leerder het meest aan hebt: he hablado hoort bij een periode die nog loopt (hoy, esta semana) of bij een band met het heden, zoals bij ya, todavía no en alguna vez, of bij iets dat nu nog van belang is (he perdido las llaves, en ik heb ze nog steeds niet). Zodra het tijdwoord de periode afsluit, zoals ayer, anoche of la semana pasada, gaat het Spaans meestal over naar het pretérito indefinido (hablé), ook al zou je in het Nederlands zonder nadenken de voltooide tijd blijven gebruiken. Het gebruik verschilt wel per regio, ook binnen Spanje.

Let ook op haber zelf: waar het Nederlands wisselt tussen hebben en zijn (ik heb gewerkt, ik ben gegaan), gebruikt het Spaans altijd haber, nooit een tweede hulpwerkwoord. In grote delen van Latijns-Amerika wordt het perfecto sowieso minder gebruikt en vervangen door het indefinido; de regel hierboven is het gebruikelijke standaard-Spaans van Spanje, niet een wet die overal in Spanje even strikt geldt.

haber + deelwoord
he, has, ha, hemos, habéis, han + participiodezelfde vorm van *haber* voor elke persoon, deelwoord blijft onveranderd
hoy, ya, todavía no, esta semana, alguna vezopen periode of band met het heden: meestal pretérito perfecto (standaardgebruik in Spanje)
ayer, anoche, la semana pasada, en 2020afgesloten periode: meestal pretérito indefinido (standaardgebruik in Spanje)
ik ben gegaan / ik heb gewerktSpaans gebruikt altijd *haber*, nooit een tweede hulpwerkwoord

Voorbeelden

  • Hoy he hablado con mi jefe sobre las vacaciones.Ik heb vandaag met mijn baas over de vakantie gesproken.
  • Todavía no he terminado el informe.Ik heb het verslag nog niet afgemaakt.
  • ¿Has estado alguna vez en Ámsterdam?Ben je ooit in Amsterdam geweest?

Let op: Je vertaalt 'Ik heb hem gisteren gezien' direct als lo he visto ayer omdat het Nederlands daar niets op tegen heeft, terwijl ayer in het standaard-Spaans van Spanje naar het indefinido vraagt: lo vi ayer.

Pluscuamperfecto: de voltooid verleden tijd

había hablado werkt bijna identiek aan de Nederlandse voltooid verleden tijd, maar een lijdend voorwerp of ander zinsdeel komt, anders dan in het Nederlandse zinseinde, nooit tussen haber en het deelwoord (había leído el libro), en een objectvoornaamwoord staat vóór haber (lo había leído).

Dit is de tijd waarin het Nederlands en het Spaans elkaar het dichtst naderen: había hablado is functioneel gelijk aan de voltooid verleden tijd, had gesproken. Beide talen gebruiken hem voor een handeling die al afgerond was vóór een ander moment in het verleden: 'Cuando llegué, ya había empezado la película' is precies 'Toen ik aankwam, was de film al begonnen', woord voor woord dezelfde logica. Eén verschil zit in het hulpwerkwoord: het Nederlands wisselt tussen hebben en zijn (had gelezen, was begonnen), het Spaans gebruikt altijd haber (había leído, había empezado).

Waar het wel misgaat is de woordvolgorde. Het Nederlands stuurt het deelwoord naar het einde van de bijzin en laat alles ertussen zetten: had het boek al gelezen. In het Spaans komt een lijdend voorwerp of ander zinsdeel nooit tussen haber en het deelwoord: el libro volgt het deelwoord. Alleen een kort bijwoord als ya kan er soms tussen staan (había ya salido), al is ya había salido gebruikelijker. Een objectvoornaamwoord gaat juist vóór haber staan: lo había leído, ik had het gelezen.

Vertaal je de Nederlandse volgorde letterlijk, dan ontstaat iets als había el libro leído, wat geen Spaans is; het moet había leído el libro of ya había leído el libro zijn.

había + deelwoord (voorverleden)
Toen ik aankwam, was de film al begonnenCuando llegué, ya había empezado la película
había, habías, había, habíamos, habíais, habían + participiodezelfde vorm van *haber* voor elke persoon
yaeen kort bijwoord kan soms tussen *haber* en deelwoord staan (*había ya salido*), maar meestal staat het ervoor: *ya había salido*
lijdend voorwerp: naamwoord of voornaamwoordeen zelfstandig naamwoordelijk object komt niet tussen *haber* en het deelwoord: *había leído el libro*; een objectvoornaamwoord staat vóór *haber*: *lo había leído*

Voorbeelden

  • Cuando llegué a la estación, el tren ya había salido.Toen ik op het station aankwam, was de trein al vertrokken.
  • Nunca había probado el jamón ibérico antes de mudarme a España.Ik had nog nooit Ibérico-ham geproefd voordat ik naar Spanje verhuisde.
  • Ya habíamos cenado cuando nos llamaron.We hadden al gegeten toen ze ons belden.

Let op: Je zet het lijdend voorwerp tussen había en het deelwoord omdat het Nederlands het werkwoord naar het zinseinde stuurt, en produceert zo había el libro leído in plaats van había leído el libro.

Futuro: de toekomende tijd

hablaré is één woord waar het Nederlands zal spreken nodig heeft; gebruik ir a + infinitief zoals gaan + infinitief voor een plan of een voorspelling (va a llover), en het futuro simple ook voor beloftes, neutrale of formele toekomst en, net als Nederlands zullen met wel, voor een gissing over nu (serán las tres).

Het Spaans heeft één woord waar het Nederlands een hulpwerkwoord nodig heeft: hablaré is de infinitief plus een uitgang (-é, -ás, -á, -emos, -éis, -án, gelijk voor alle drie de werkwoordsgroepen), terwijl de Nederlandse tegenhanger met zullen een hulpwerkwoord plus infinitief nodig heeft, met de infinitief naar het einde van de zin.

Voor een plan of voornemen lopen beide talen wel gelijk op: ir a plus infinitief werkt net als gaan plus infinitief ('Voy a llamarla mañana', 'Ik ga haar morgen bellen'). Dat geldt ook voor een voorspelling op basis van wat je nu ziet of verwacht: va a llover ('het gaat regenen'), esto va a ser difícil, ¿qué va a pasar?. Beide talen vervangen die toekomst ook gewoon door de tegenwoordige tijd met een tijdwoord erbij ('Te veo mañana', 'Ik zie je morgen'). Ook de gissing is een herkenbaar patroon: estará cansado ('hij zal wel moe zijn') gebruikt de toekomende tijd niet voor iets dat nog moet gebeuren maar voor een inschatting over nu, precies zoals het Nederlandse zullen met wel.

Het futuro simple heeft daarnaast eigen terrein: toekomstige gebeurtenissen in neutrale of formele taal, beloftes (te llamaré), en vooral de gissing over het heden. Dat laatste kan ir a niet: serán las tres is 'het zal wel drie uur zijn', terwijl van a ser las tres 'het wordt zo drie uur' betekent. Wie gaan als vaste vertaling van toekomst in het hoofd heeft, grijpt bij een gissing over nu toch naar ir a.

futuro simple: -é, -ás, -á, -emos, -éis, -án op de hele infinitief
hablar, comer, vivirdezelfde uitgangen voor alle drie de werkwoordsgroepen
tener, poner, salir, venir → tendr-, pondr-, saldr-, vendr-stam verliest de klinker
decir, hacer → dir-, har-onregelmatige verkorte stam
ir a + infinitief ≈ gaan + infinitiefplan of voorspelling: Voy a llamarla / Ik ga haar bellen; Va a llover / Het gaat regenen
futuro simple ≈ zullen + welgissing over nu: Estará cansado / Hij zal wel moe zijn
gissing over nufuturo simple: Serán las tres (het zal wel drie uur zijn); Van a ser las tres betekent iets anders (het wordt zo drie uur)

Voorbeelden

  • Mañana hablaré con el médico sobre el resultado.Morgen zal ik met de dokter over de uitslag spreken.
  • ¿Dónde estará mi hermano a estas horas?Waar zal mijn broer nu toch zijn?
  • Te prometo que vendré a tu cumpleaños.Ik beloof je dat ik naar je verjaardag zal komen.

Let op: Omdat gaan je vaste vertaling voor toekomst is, grijp je ook bij een gissing over nu naar ir a: van a ser las tres betekent 'het wordt zo drie uur', terwijl je met 'het zal wel drie uur zijn' serán las tres bedoelt.

Condicional: de voorwaardelijke wijs

hablaría komt overeen met Nederlands zou spreken, inclusief het gebruik voor een toekomst gezien vanuit het verleden (dijo que vendría = hij zei dat hij zou komen), maar voor een gissing over een moment in het verleden grijpt het Nederlands terug naar zullen, niet naar zou.

hablaría wordt gevormd als het futuro maar met de uitgang van de onvoltooid verleden tijd (-ía, -ías, -ía, -íamos, -íais, -ían, weer gelijk voor alle drie de groepen, en op dezelfde onregelmatige stam als het futuro: tendría, pondría, diría).

Functioneel is zou plus infinitief een betrouwbare vertaling, en dat gaat verder dan alleen de hypothese. 'Si tuviera tiempo, iría' is 'Als ik tijd had, zou ik gaan', maar zou dekt ook de toekomst gezien vanuit het verleden: 'Dijo que vendría' is gewoon 'Hij zei dat hij zou komen': een toekomst gezien vanuit een moment in het verleden. In de directe rede staat daar het futuro simple: Dijo: «Vendré» wordt Dijo que vendría, net zoals 'Ik zal komen' 'dat hij zou komen' wordt. Hetzelfde zou verzacht ook een wens of verzoek: me gustaría un café is 'ik zou graag een koffie willen', beleefder dan quiero un café.

Waar de vertaling wél breekt is de gissing over het verleden. Serían las tres cuando llegó schat hoe laat het ongeveer was; het Nederlands grijpt daarvoor niet terug naar zou, maar naar zullen, dezelfde vorm als bij de gissing over nu: 'Het zal rond drie uur geweest zijn toen hij aankwam.' Vertaal je dat met zou, dan klinkt het als een hypothese die nooit gebeurd is, niet als een inschatting van wat er echt gebeurde.

condicional: -ía op de hele infinitief
hablar, comer, vivirdezelfde uitgang voor alle drie de groepen
tener, poner, decir, hacer → tendría, pondría, diría, haríadezelfde onregelmatige stammen als het futuro
Si tuviera tiempo, iríahypothese: Als ik tijd had, zou ik gaan
Dijo que vendríatoekomst gezien vanuit het verleden: Hij zei dat hij zou komen
Serían las tresgissing over het verleden: Spaans condicional, maar Nederlands zullen, niet zou

Voorbeelden

  • Me encantaría visitar Sevilla en primavera.Ik zou het geweldig vinden om in de lente naar Sevilla te gaan.
  • Dijo que llegaría antes de las ocho.Hij zei dat hij voor achten zou aankomen.
  • Tendría unos treinta años cuando se casó.Hij was waarschijnlijk een jaar of dertig toen hij trouwde.

Let op: Bij een gissing over het verleden reikt het Nederlands niet naar zou maar naar zullen ('het zal wel geweest zijn'), en wie dat toch met zou vertaalt, maakt van een inschatting een hypothese die nooit gebeurd is.

Subjuntivo: presente

Een handige vuistregel, geen definitie: na que volgt vaak de subjuntivo wanneer de hoofdzin een wens, twijfel, emotie of noodzaak uitdrukt en het onderwerp wisselt (quiero que, dudo que, no creo que, es importante que); verandert het onderwerp niet, dan blijft het bij dit soort wens- en wilconstructies, net als in het Nederlands, een infinitief (quiero ir). Het hangt steeds af van de constructie, en veel bijzinnen na que staan gewoon in de indicativo (creo que viene, sé que es verdad).

Vorm hem uit de yo-vorm van de tegenwoordige tijd (zie Presente de indicativo): haal de -o weg en verwissel de klinker. -ar werkwoorden krijgen -e (hable, hables...), -er en -ir werkwoorden krijgen -a (coma, viva...). Onregelmatige yo-vormen (tengo, pongo, hago) nemen die stam gewoon mee: tenga, ponga, haga. Een klein groepje is volledig onregelmatig: sea, esté, vaya, sepa, haya, dé.

Bij stamveranderende werkwoorden hangt het af van de groep. Bij -ar en -er werkwoorden verdwijnt de klinkerverandering in de wij- en jullie-vorm, net als in de indicativo: quiera maar queramos, vuelva maar volvamos. Bij -ir werkwoorden blijft er daar een kleinere verandering over, e wordt i en o wordt u: pida maar pidamos, sienta maar sintamos, duerma maar durmamos.

Wat je al kent uit het Nederlands: bij dit soort wens- en wilconstructies (querer, esperar, preferir) gebruik je een infinitief als het onderwerp van beide zinsdelen hetzelfde is, precies zoals bij 'ik wil Spaans leren' tegenover 'ik wil dat jij Spaans leert'. Dat onderscheid hoef je dus niet te leren, alleen de vorm die volgt wanneer het onderwerp wel verschilt: waar het Nederlands na 'dat' gewoon de aantonende wijs gebruikt, verandert het Spaanse werkwoord van vorm.

De tweede val zit in tijdszinnen over de toekomst. 'Als ik thuiskom, bel ik je' staat in het Nederlands in de tegenwoordige tijd, dus je oor verwacht hetzelfde in het Spaans na cuando. Maar cuando met een gebeurtenis die nog niet heeft plaatsgevonden vraagt om de subjuntivo (cuando llegues); pas bij een gewoonte of een feit uit het verleden staat er de aantonende wijs (cuando llego).

Nog twee gevallen horen erbij. Na aunque staat de subjuntivo wanneer je het niet als vaststaand feit brengt (aunque sea difícil, lo voy a intentar, ook al zou het moeilijk zijn), en de indicativo wanneer het wel een feit is (aunque es difícil, lo intento, hoewel het moeilijk is). Hij staat ook in een bijzin over iemand of iets waarvan je niet weet of het bestaat: busco a alguien que hable japonés (ik zoek iemand die Japans spreekt).

Vorming en triggers
-ar werkwoordenyo-vorm zonder -o plus -e/-es/-e/-emos/-éis/-en: hablar → hable, hables, hable...
-er / -ir werkwoordenyo-vorm zonder -o plus -a/-as/-a/-amos/-áis/-an: comer → coma; vivir → viva
onregelmatige yo-stam blijfttener → tenga, poner → ponga, hacer → haga, decir → diga
stamverandering bij -ir blijft in wij en julliepedir → pida, pidamos; sentir → sienta, sintamos; dormir → duerma, durmamos (bij -ar en -er valt ze weg: queramos, volvamos)
volledig onregelmatigser → sea, estar → esté, ir → vaya, saber → sepa, haber → haya, dar → dé
belangrijkste triggerswens (querer que), twijfel/ontkenning (dudar que, no creer que), emotie (alegrarse de que), oordeel (es importante que), doel (para que)

Voorbeelden

  • Espero que puedas venir a la fiesta el sábado.Ik hoop dat je zaterdag naar het feest kan komen.
  • Quiero aprender español, pero mi madre quiere que aprenda alemán.Ik wil Spaans leren, maar mijn moeder wil dat ik Duits leer.
  • Cuando llegues a casa, llámame.Bel me wanneer je thuiskomt (nog toekomst, dus subjuntivo).
  • Cuando llego a casa, siempre ceno con mis padres.Wanneer ik thuiskom, eet ik altijd met mijn ouders (vaste gewoonte, dus aantonende wijs).

Let op: Omdat het Nederlands al eeuwen geen levende aanvoegende wijs meer heeft (op een fossiel als het zij zo na), klinkt de foute aantonende vorm in een Spaanse bijzin net zo normaal in je oren als de juiste subjuntivo, dus je hoort de fout gewoonweg niet: reken de trigger uit (wens, twijfel, emotie, para que, een toekomstige cuando-zin) in plaats van op je gevoel te vertrouwen.

Imperativo

De bevestigende en de ontkennende gebiedende wijs zijn in het Spaans twee verschillende vormen van hetzelfde werkwoord: habla wordt no hables, terwijl het Nederlands voor beide gewoon dezelfde stam gebruikt, met of zonder niet.

Het Nederlands werkt met in de praktijk één vorm: de stam, voor zowel één als meerdere aangesprokenen (spreek!), plus een formele u-vorm met -t (spreekt u). Het Spaans heeft er apart een voor tú, usted, nosotros, vosotros en ustedes, dus reken erop dat je een categorie leert die in het Nederlands simpelweg niet bestaat, vooral de vosotros-vorm: infinitief min de laatste -r plus -d (hablad, comed, vivid); bij een wederkerend werkwoord valt die -d weg voor -os (levantaos; bij irse is idos de traditionele vorm, maar iros is in het moderne Spaans ook aanvaard).

De echte val zit bij tú. De bevestigende vorm is meestal gewoon de hij/zij-vorm van de tegenwoordige tijd (habla, come, escribe), met een handvol onregelmatige (di, haz, ve, pon, sal, ten, ven, sé). Zodra je ontkent, springt het werkwoord over naar de subjuntivo-vorm: no hables, no comas, no escribas. Niets in het Nederlands bereidt je daarop voor, want spreek en spreek niet delen dezelfde stam.

Hetzelfde geldt voor voornaamwoorden (zie Pronombres personales, de objeto y reflexivos): bij een bevestigend bevel plak je ze achteraan vast, met een geschreven accent (siéntate, dímelo), terwijl ze bij een ontkennend bevel gewoon los ervoor staan (no te sientes, no me lo digas). Het Nederlands plakt nooit vast, dus ook dat is nieuw materiaal, geen kwestie van vertrouwde gewoonte overzetten.

Bevestigend versus ontkennend (tú)
hablarhabla / no hables
comercome / no comas
escribirescribe / no escribas
decir (onregelmatig)di / no digas
ir (onregelmatig)ve / no vayas
vosotros, bevestigendinfinitief min -r plus -d: hablad, comed, vivid
vosotros, wederkerend-d valt weg voor -os: levantaos (irse: traditioneel idos, iros ook aanvaard)

Voorbeelden

  • ¡Habla más despacio, por favor!Spreek alsjeblieft wat langzamer!
  • No hables tan rápido, no te entiendo.Spreek niet zo snel, ik versta je niet.
  • Siéntate aquí, hay más espacio.Ga hier zitten, er is meer ruimte.
  • No te sientes ahí, esa silla está rota.Ga daar niet zitten, die stoel is kapot.

Let op: Omdat het Nederlands een bevel nooit van vorm laat veranderen, is de instinctieve fout dat je gewoon no voor de bevestigende vorm plakt en stopt (no habla in plaats van no hables); controleer bij elke ontkenning bewust of je naar de subjuntivo-vorm bent overgestapt.

Por y para

Para wijst vooruit: doel, bestemming, deadline, ontvanger. Por wijst terug of erdoorheen: oorzaak, reden, route, middel, ruil, handelende persoon. Het Nederlandse voor dekt allebei de richtingen tegelijk en verraadt dus niet welke van de twee je nodig hebt.

Het Nederlandse voor wordt gebruikt voor een ontvanger of bestemming (dit cadeau is voor jou → este regalo es para ti, dat is para) maar evengoed voor een reden, zoals bij bedanken of straffen (bedankt voor je hulp, gestraft voor zijn fout), en dat is juist por: gracias por tu ayuda, castigado por su error. Vertaal voor dus nooit automatisch naar para, kijk eerst of de zin vooruit wijst (doel) of terug (reden).

Twee plekken werkt je Nederlands wél in je voordeel. Het doel-patroon om te plus infinitief komt letterlijk overeen met para plus infinitief: estudio para aprobar el examen, ik studeer om het examen te halen. En voor een communicatiemiddel of kanaal gebruikt het Spaans por precies waar het Nederlands per gebruikt: por teléfono, por correo, net als per telefoon, per post. Let op bij vervoer: daar geldt dat niet, want reizen met een vervoermiddel is en: en avión, en tren, en coche (met het vliegtuig, per trein, met de auto).

Ook de lijdende vorm loopt gelijk: de handelende persoon na een voltooid deelwoord staat met door in het Nederlands en met por in het Spaans (escrito por Cervantes, geschreven door Cervantes), nooit met para.

Por of para
doel (om te + infinitief)para: estudio para aprobar
ontvanger, begunstigde (voor)para: es para ti
deadline (tegen, voor)para: para el viernes
reden, oorzaak (ook bij bedankt/gestraft voor)por: gracias por, castigado por
beweging door een ruimte (door)por: por el parque
communicatiemiddel, kanaal (per)por: por teléfono, por correo
lijdende vorm, handelende persoon (door)por: escrito por
ruil, prijs (voor, in ruil voor)por: lo compré por diez euros
vervoermiddel (met het vliegtuig, per trein)en, niet por: en avión, en tren, en coche

Voorbeelden

  • Este libro es para ti, lo compré ayer.Dit boek is voor jou, ik heb het gisteren gekocht.
  • Gracias por tu ayuda con la mudanza.Bedankt voor je hulp met de verhuizing.
  • Estudio español para viajar por Sudamérica el año que viene.Ik leer Spaans om volgend jaar door Zuid-Amerika te reizen.
  • El cuadro fue pintado por Velázquez.Het schilderij is geschilderd door Velázquez.

Let op: Omdat 'bedankt voor' in het Nederlands met voor werkt, is de bijna onvermijdelijke gok gracias para in plaats van het juiste gracias por: precies de plek waar de vertaling voor → para het laat afweten, want hier gaat het om de reden van je dank, niet om een bestemming.

Preposiciones frecuentes

Het Spaans gebruikt vaak één voorzetsel waar het Nederlands er twee heeft, en zet bovendien een onvertaalbare a voor een bepaalde persoon als lijdend voorwerp, iets waar het Nederlands geen enkel signaal voor geeft.

Waar het Nederlands in en op strikt uit elkaar houdt, gebruikt het Spaans voor allebei vaak gewoon en: en la mesa (op tafel) en en la habitación (in de kamer). In veel gewone plaatsaanduidingen waar het Nederlands op gebruikt, zegt het Spaans dus en. Wil je 'op' of 'bovenop' echt benadrukken, dan heeft het Spaans daar sobre en encima de voor.

De grootste val is de persoonlijke a: staat er een bepaalde, specifieke persoon als lijdend voorwerp, dan zet het Spaans er een a voor (busco a mi hermano), terwijl het Nederlandse lijdend voorwerp helemaal geen voorzetsel krijgt (ik zoek mijn broer). Omdat je moedertaal hier niets laat horen, is dit een regel die je bewust moet inbouwen, niet een die je aanvoelt.

Voor richting gebruikt het Spaans diezelfde a (voy a Madrid) waar het Nederlands een apart woord heeft, naar, speciaal voor beweging naar een doel. Reken er dus op dat één Spaans voorzetsel meerdere Nederlandse rollen overneemt, niet andersom. Bij vaste werkwoord plus voorzetsel combinaties loopt het soms uiteen (pensar en, niet pensar a, ook al zeg je denken aan) en soms precies gelijk (depender de, afhangen van; casarse con, trouwen met): leer elke combinatie apart, in plaats van het Nederlandse voorzetsel te vertalen.

Vaste combinaties
en (plaats: in én op)en la mesa (op), en la habitación (in)
a (persoon als lijdend voorwerp)veo a mi hermano, geen Nederlands signaal
a (richting, bestemming)voy a Madrid, Nederlands gebruikt naar
pensar enniet pensar a, ook al zeg je denken aan
soñar condromen over/van wordt con, niet sobre
depender deafhangen van, de komt overeen met van
casarse controuwen met, con komt overeen met met

Voorbeelden

  • Los libros están en la mesa.De boeken liggen op de tafel.
  • Vivimos en un piso pequeño en el centro.We wonen in een klein appartement in het centrum.
  • Busco a mi hermano, no lo encuentro.Ik zoek mijn broer, ik kan hem niet vinden.
  • Pienso mucho en mi familia cuando viajo.Ik denk veel aan mijn familie als ik reis.

Let op: Omdat het Nederlandse lijdend voorwerp nooit een voorzetsel krijgt, vergeet je de persoonlijke a het snelst juist wanneer het object een naam of familielid is (busco mi hermano in plaats van busco a mi hermano), precies de gevallen waarin hij verplicht is.

Perífrasis: ir a, acabar de, estar + gerundio

Bij deze drie constructies bepaalt het vervoegde werkwoord (ir, acabar, estar) het tijdsperspectief, en staat het tweede werkwoord altijd in dezelfde vorm: infinitief na ir a en acabar de, gerundio na estar.

Ir a + infinitief voor een naaste toekomst of voornemen werkt vrijwel identiek aan het Nederlandse gaan + infinitief: voy a cocinar is qua opbouw en gevoel gewoon "ik ga koken". Die gewoonte mag je een op een overnemen. Wat niet meekomt is de Spaanse gewoonte om een objectvoornaamwoord aan de infinitief vast te plakken (voy a comprarlo) of vóór het vervoegde werkwoord te zetten (lo voy a comprar): het Nederlands kent die keuze niet, het voornaamwoord staat altijd los en op een vaste plek.

Acabar de + infinitief, voor iets dat net is gebeurd, heeft geen eigen constructie in het Nederlands: acabo de llamar vertaal je met het bijwoord "net" plus een gewone voltooide tijd, "ik heb net gebeld". Let op dat acabar de zelf bijna altijd in de tegenwoordige of onvoltooid verleden tijd staat, ook al gaat het om iets afgeronds: het is het hulpwerkwoord dat de tijd draagt, niet "net".

Estar + gerundio, voor een handeling die als lopend wordt voorgesteld, nu op dit moment of in een bredere periode rond nu, lijkt sterk op het Nederlandse aan het + infinitief (estoy llamando, "ik ben aan het bellen"): toch gebruikt het Spaans deze constructie in beperktere, specifiek progressieve contexten, en vaak volstaat een gewone tijd (¿qué haces?, wat ben je aan het doen?). Let ook op onregelmatige gerundio's: pedir wordt pidiendo, dormir wordt durmiendo, leer wordt leyendo.

De drie constructies
ir a + infinitivoplan of nabije toekomst: voy a llamar, net als het Nederlandse ik ga bellen
acabar de + infinitivonet gebeurd: acabo de llamar = ik heb net gebeld, geen aparte vorm in het Nederlands
estar + gerundiobezig zijn met: estoy llamando, net als ik ben aan het bellen
onregelmatige gerundio'spedir → pidiendo, dormir → durmiendo, leer → leyendo, oír → oyendo, ir → yendo

Voorbeelden

  • Voy a escribirte mañana.Ik ga je morgen schrijven.
  • Acabo de terminar los deberes.Ik ben net klaar met mijn huiswerk.
  • Está lloviendo desde esta mañana.Het regent al sinds vanochtend.
  • Estábamos comiendo cuando llamaste.We waren aan het eten toen je belde.

Let op: De valkuil is dat je de Nederlandse logica, een bijwoord plus een gewone tijd, woord voor woord naar het Spaans doortrekt (lo he hecho justo) en de standaardconstructie acabo de hacerlo nooit gebruikt. Er zijn ook andere natuurlijke varianten, afhankelijk van regio en context (lo he hecho hace un momento, lo hice hace un momento, lo he hecho justo ahora), maar acabar de + infinitief is de vaste grammaticale vorm om te leren.

Acentos y ortografía

Een accentteken in het Spaans staat er nooit voor de sier: het markeert een klemtoon die van de standaardregel afwijkt, een beklemtoonde i of u naast een andere klinker (río), of het onderscheidt twee identiek gespelde woordjes met een verschillende functie.

Elk Spaans woord heeft een vaste klemtoon die je aan de laatste letter kunt aflezen: eindigt een woord op een klinker, een n of een s, dan valt de klemtoon standaard op de voorlaatste lettergreep (casa, comen, mesas); eindigt het op een andere medeklinker, dan valt hij standaard op de laatste (comer, ciudad, reloj). Wijkt een woord van die regel af, dan komt er verplicht een accentteken op de beklemtoonde klinker (árbol, camión, música). Los daarvan krijgt een beklemtoonde i of u naast een a, e of o altijd een accent, ook als de gewone regel dat niet vraagt: zo hoort de klinker bij een eigen lettergreep (María, río, caída, oído). Het Nederlands heeft niets vergelijkbaars: klemtoon wordt nergens geschreven en moet je per woord onthouden, dus dit is geen valse vriend maar een compleet nieuw systeem.

Een tweede, kleinere groep accenten volgt niet uit die klemtoonregels maar onderscheidt twee identiek gespelde woordjes; meestal is de vorm met accent beklemtoond en de vorm zonder accent onbeklemtoond, zoals tú (jij) tegenover tu (jouw), él (hij) tegenover el (de/het), of sí (ja) tegenover si (als). Het Nederlands kent zo'n teken ook, maar gebruikt het zelden: "één" (het telwoord) tegenover "een" (het lidwoord). Meestal lost het zulke botsingen op zonder teken, zoals het voorzetsel "voor" tegenover het voegwoord "voor", en daardoor lijkt het Spaanse accent al snel decoratief.

De diëresis op de ü in güe en güi (pingüino, bilingüe) geeft aan dat de u in gue en gui wordt uitgesproken en niet stom is, zoals in guerra of guitarra. Het teken lijkt op het Nederlandse trema ("ideeën"), maar de functie is een andere: het Nederlandse trema laat zien dat twee klinkers bij verschillende lettergrepen horen, de Spaanse ü zegt dat je de u in gue en gui uitspreekt.

Klemtoon en accenttekens
eindigt op klinker, n of sklemtoon standaard op de voorlaatste lettergreep, geen accent nodig: casa, comen, mesas
eindigt op andere medeklinkerklemtoon standaard op de laatste lettergreep, geen accent nodig: comer, ciudad, reloj
afwijking van deze regelverplicht accentteken op de beklemtoonde klinker: árbol, camión, compás
esdrújula (klemtoon 3e lettergreep van achteren)altijd een accent: teléfono, música, rápido
beklemtoonde i of u naast a, e of oaltijd een accent, los van de gewone regel: María, río, caída, oído
diacritisch accentonderscheidt gelijk gespelde woorden, meestal beklemtoond (met accent) tegenover onbeklemtoond: tú/tu, él/el, sí/si
diéresis op ügeeft aan dat de u in gue/gui wordt uitgesproken: pingüino, bilingüe; lijkt op het trema, maar werkt anders

Voorbeelden

  • El teléfono está sonando.De telefoon gaat over.
  • ¿Sabes si él ya llegó?Weet je of hij al is aangekomen?
  • El pingüino nada muy rápido.De pinguïn zwemt heel snel.
  • Necesito más información sobre el tren.Ik heb meer informatie nodig over de trein.

Let op: De grootste valkuil is het accentteken weglaten omdat het er decoratief uitziet. Accenttekens zijn verplicht: weglaten kan de betekenis of de uitspraak veranderen (papa, aardappel of paus, tegenover papá, vader; esta, deze, tegenover está, is/bent), en anders is het gewoon een spelfout (arbol in plaats van árbol).

Números, fechas y la hora

Cijfers en datums lopen in het Spaans grotendeels gelijk met het Nederlands, maar bij het halve uur noemt het Spaans het uur dat net is geweest, terwijl het Nederlands al naar het komende uur springt.

Als decimaalteken laat de RAE zowel de komma als de punt toe; in Spanje is, net als in het Nederlands, de komma gebruikelijk (3,5 kilos). Duizendtallen scheidt de huidige spellingnorm niet met een punt maar met een smalle spatie (12 500), en getallen van vier cijfers krijgen geen scheiding (3500). In het dagelijks leven zie je in Spanje nog vaak de punt (3.500,25), zoals in het Nederlands: gangbaar, maar niet de aanbevolen schrijfwijze. Wat niet meekomt: honderdtallen buigen in het Spaans mee met het geslacht van het zelfstandig naamwoord, doscientos euros maar doscientas personas, terwijl een Nederlands telwoord nooit verandert.

Een datum volgt dag, maand, jaar, precies als in het Nederlands (11 de septiembre de 2026, 11 september 2026), en maanden krijgen in beide talen geen hoofdletter, dus wie uit het Engels komt struikelt hier, jij niet. Ook de dag zelf is in beide talen normaal een hoofdtelwoord: el once de septiembre, el veinte, net als elf september. Het enige verschil: voor de eerste van de maand is in het Spaans ook het rangtelwoord gangbaar, el uno of el primero de mayo.

Bij het hele uur stemt het werkwoord in getal, es la una voor één uur, son las dos vanaf twee uur, waar het Nederlandse "is" bij "uur" niet verandert. Bij het halve uur ligt de grootste valkuil: las tres y media, letterlijk drie en een half, is 3:30, precies zoals het Nederlandse "half vier", maar "half vier" bevat het woord voor vier, wat licht doet vermoeden dat je las cuatro y media moet zeggen. Het kwartier volgt wel dezelfde logica als in het Nederlands: y cuarto is over, menos cuarto is voor.

Cijfers, datum en klok
decimaalteken en duizendtalkomma voor decimalen zoals in het Nederlands (de punt mag ook); duizendtallen volgens de RAE met een smalle spatie, niet met een punt: 12 500,25, en vier cijfers zonder scheiding: 3500
honderdtallendoscientos/doscientas stemmen in geslacht met het zelfstandig naamwoord, een Nederlands telwoord buigt nooit
datumvolgordedag, maand, jaar, zoals in het Nederlands: 11 de septiembre de 2026
dag van de maandeen hoofdtelwoord, el once, el veinte, net als elf september; alleen de eerste mag ook el primero zijn
hele urenes la una voor één uur, son las dos vanaf twee uur, het werkwoord stemt in getal
half uurlas tres y media is 3:30, tel vanaf het voorbije hele uur, niet zoals het Nederlandse half vier
kwartiery cuarto is over, menos cuarto is voor, dezelfde logica als in het Nederlands

Voorbeelden

  • La reunión empieza a las nueve y media.De vergadering begint om half tien.
  • Nací el veinticinco de diciembre de mil novecientos noventa.Ik ben geboren op vijfentwintig december negentienhonderdnegentig.
  • Había trescientas personas en la fiesta.Er waren driehonderd mensen op het feest.
  • Son las cuatro menos cuarto.Het is kwart voor vier.

Let op: De valkuil is het uur waar het Nederlandse "half vier" naar verwijst, vier, letterlijk te vertalen: half vier is 3:30, dus las tres y media, niet las cuatro y media, want het Spaans telt vanaf het voorbije hele uur en het Nederlands vanaf het komende.